
Lekkerbek, zakenman, vrije jongen, Georg Friedrich Händel was het allemaal. Maar gay? Het Handel House Museum wil er nog niet aan. Filantroop was hij in elk geval, is te zien in het Foundling Museum, ook in Londen.
‘De man is een volslagen raadsel. Zelfs de kleur van zijn ogen kennen we niet. Op schilderijen is het steeds weer anders.’ Martin Wyatt is adjunct-directeur van het Handel House Museum, ondergebracht in het pand aan de Londense Brook Street waar Georg Friedrich Händel, componist en orgelvirtuoos, 36 jaar heeft gewoond.
Wyatt kan ervan van dromen: op een dag vindt hij onder de 18de-eeuwse vloerdelen het dagboek waarin de vrijgezelle musicus zich openbaart. Zijn gedachten, zijn verlangens, zijn liefdes.
Sinds 1985, het vorige Händeljaar, is er wel wat gebeurd, geeft Wyatt toe. In elk geval met de muziek. Händels 42 opera’s maken opeens furore. De oudemuziekbeweging heeft zijn partituren met peper bestrooid. Maar over de mens Händel weten we 250 jaar na zijn dood bar weinig.
Wyatt: ‘Misschien zegt dat nog wel het meest. Zo beroemd als hij was, in de Londense gossip society wist Händel z’n snor te drukken. Hij moet erg op zichzelf zijn geweest.’
Anekdotes circuleren er genoeg. Zonder uitzondering vallen die in de categorieën eten, drinken, vloeken en lachen. Het ‘vat der teffel’ (what the devil) lag de Saksische Londenaar in de mond bestorven. Van zijn aartsrivaal Giovanni Bononcini pikte hij een deuntje met het excuus: ‘Veel te mooi voor hem, hij weet toch niet wat hij ermee aan moet.’
Ook een leuke: Händel bestelt een maaltijd voor drie. De waard die komt informeren waar het gezelschap blijft, krijgt te horen: ‘Ik bén het gezelschap.’ Een dikzak met een ouderwetse pruik – zo zagen Londenaren hem over straat waggelen. Maar een beroemder barokcomponist bestond er niet.
Bach? Ach, Bach. Die moet in de 19de eeuw uit de coulissen worden gered. Händel is nooit van het toneel verdwenen. Sinds 1727 klinkt bij elke Britse kroningsplechtigheid zijn anthem Zadok the priest. Vanaf de première in 1742 zingt iedereen het ‘Hallelujah!’ mee uit de Messiah. Zelfs cultuurbarbaren horen via het koor-met-trompettenriedeltje van de Champions’ Leaguetune nog wel eens een Händelimitatie, hoe slecht gelukt ook.
Maar de man verschuilt zich. Niet verwonderlijk, meent de sinds 1985 fors opgekomen gendermusicologie. Die kan in Händelopera’s smullen van geslachtsloze castraten en van vrouwen in mannenrollen die zich terugverkleden tot vrouw. Recent inzicht: Händel had een dwingende reden voor zijn solitaire bestaan. Hij was namelijk gay.
Zo ver zijn ze in het Handel House Museum nog niet. Hier, in de wijk Mayfair nabij Hyde Park, betrok de componist in 1723 zijn huurwoning. Particulier initiatief zorgde ervoor dat de bovenetages vanaf 2001 werden ingericht als museum. Totdat damesmodezaak Luella de begane grond heeft vrijgemaakt, kan het pand alleen via een achteromsteegje worden betreden.
Maar ze weten het te vinden, de Amerikaanse collegekoren die spontaan de Messiah aanheffen, en ook de Duitse en Nederlandse toeristen die komen klagen dat in de componistennaam overal de Umlaut ontbreekt. Zo spellen ze het immers in het Händelhaus in Halle, geboorteplaats van de componist. Waarna men hun beleefd zijn Londense handtekening onder de neus duwt: George Frideric Handel.
Krulornamenten in het trappenhuis vormen de enige originele details waarop Händels oog kan zijn gevallen. Kleursporen wekten tijdens de restauratie een vaag vermoeden van authenticiteit. Vandaar het blauwgrijs van de wanden, met de deuren en stijlen in chocoladebruin. Maar verder: het hemelbed in Händels slaapvertrek, het klavecimbel in zijn muziekkamer – allemaal kopie.
Handel Reveal’d heet de expositie die hier vanaf april wordt ingericht door Christopher Hogwood, de Britse oudemuziekcoryfee en Händelbiograaf. Hij belooft de sluiers op te trekken van Händel de lekkerbek, Händel de zakenman, Händel de vrije jongen die ervoor waakt zich al te zeer aan vorsten en patroons te verplichten.
Museumman Wyatt: ‘Frappant hoe Händel zijn creativiteit wist te combineren met een neus voor zaken. Hier in Brook Street kon je zijn muziek komen kopen. En uit de archieven van de Bank of England weten we dat hij een gelukkige hand van speculeren had. Anders dan de koninklijke familie trok hij zich net op tijd terug uit een Zuid-Amerikaproject dat in 1720 als een zeepbel uit elkaar spatte.’
Maar goed, de onthulling van Händel de operanicht zal Christopher Hogwood niet voor z’n rekening nemen.
Hoe zat dat: de 21-jarige componist reist na een blauwe maandag te hebben geklust aan de Hamburgse opera naar Italië. Daar tuimelt hij in 1706 in een affaire met de sopraan Vittoria Tarquini.
Een afleidingsmanoeuvre, meent de revisionistische musicologie. Want in Florence belandt il caro Sassone in het notoir homo-erotische milieu van de Medici-clan. Later, in Rome, zet kardinaal Benedetto Pamphili zijn tanden in het sappige blaadje uit het noorden. In de cantatetekst Hendel, non può mia musa vergelijkt hij zijn componist met Orpheus, de toverzanger die Eurydice net niet uit de Onderwereld wist te redden. Dat Orpheus van de weeromstuit alle omgang met vrouwen meed, maakte hem tot schutspatroon van de herenliefde.
Zo bekeken gaat er een wereld verborgen achter de Pamphiliaanse frase ‘laat je hand weer over de lier glijden’.
Martin Wyatt, nuchter: ‘Er zitten zoveel gaten in Händels biografie, dat iedereen die met speculaties kan vullen.’
Wat geen speculatie is: sinds de 19de eeuw kampt Händel met lieden die schamperen over zijn muziek. Opvallend vaak bevinden ze zich in het Bachkamp. Het zijn ook niet de minsten.
Barokpionier Gustav Leonhardt verwijst Händels muziek onverbiddelijk naar het tweede plan: ‘uiterlijk effect, metier, meer niet.’ Hij vindt een medestander in Philippe Herreweghe. Volgens de Vlaamse dirigent is de Messiah niet meer dan een klucht. ‘Spektakel! Bach schittert in deze periode als een diamant.’
Tegenover hen staat een rotsvaste Händeliaan als Richard Egarr. Het enthousiasme van de Brits-Amsterdamse klavierspeler en dirigent is ook doorgedrongen tot de luisteraars van Radio 4. Ze rekenden Egarrs cd met orgelconcerten van Händel tot de beste van 2008.
Egarr geeft toe dat Händels muziek er op papier eenvoudig uit kan zien. ‘Maar Händel moet je spelen en ondergaan. Hij was een man van het theater. Het verbaast me altijd weer hoe hij creëert vanuit het niets, hoe hij orkestreert, hoe hij met een paar instrumenten volop kleuren schildert.’
Adjunct-directeur Wyatt: ‘Händels muziek heeft sensuele trekjes, maar hij kan ook verpletterend virtuoos schrijven, of intens droevig. Hij beheerst alle emoties. Neem zo’n gekke, rare aria als ‘Ombra mai fù’ uit de opera Serse. Wat stelt het nu helemaal voor: Xerxes zit onder een boom en prijst de schaduw. Maar zonder vochtige ogen luister ík het niet af.’
In 1738 zingt Cafarelli, een castraat, de titelrol van Serse. Net als andere zangers wordt hij door Händel gescout tijdens Europese rondreizen. De componist introduceert in Londen ook de castraat Senesino, en prima donna’s als Faustina Bordoni en Francesca Cuzzoni. De Rival Queens vechten elkaar trouwens al snel het kot uit.
Jarenlang spint Händel garen bij de Londense smaak voor Italiaanse opera. Wanneer de rage in de jaren 1730 wegebt, reageert hij aanvankelijk laconiek op lege zalen: ‘Nevre moind, de moosic vil sound de petter’ (maakt niet uit, des te beter klinkt de muziek). Na een bankroet en verlammingsverschijnselen schakelt hij over op het Engelstalige oratorium. Het scheelt hem de ballast van decor en kostuums. Bovendien kost een Engelse zangeres eentiende van een uit Italië weggeplukte diva.
Uiteindelijk kan Händel het breed laten hangen. Bij zijn overlijden beloopt zijn drankvoorraad meer dan zeshonderd flessen wijn en port. Opvallend is het royale aantal potten en pannen waarover zijn kok beschikt. Aan de muur hangen schilderijen van Ruysdael, Brueghel, Watteau, Poussin en Canaletto. De echtheid van zijn twee ‘Rembrandts’ wordt evenwel betwijfeld.
Händel geeft men gulle hand. Hij ondersteunt de Maatschappij voor in Verval Geraakte Muzikanten. En hij laat zich porren voor het bestuur van het Foundling Hospital, het vondelingentehuis waar hij vanaf 1749 uit liefdadigheid jaarlijks de Messiah dirigeert.
Handel the Philanthropist - het Foundling Museum heeft er een zaal voor vrijgemaakt. De portretschilderijen, handschriften, muziekdrukken en porceleinen bustes komen goeddeels uit de eigen collectie. Gerald Coke was zo aardig ze te doneren, een in 1990 overleden bankier die ooit met Mozartiana begon, maar overstapte op Händel toen die hobby te begrotelijk werd.
Londens andere Händelmuseum, aan Brunswick Square in Bloomsbury, biedt wél originelen. Men koestert er nogal wat autograaf Messiahmateriaal. Attractief is ook de ingekleurde karikatuur van Händel als bepruikt zwijn dat achter het orgel zit - wijn, port en gevogelte onder handbereik. Kan niet anders: die prent moet Hector Berlioz voor ogen hebben gehad toen hij Händel neerzette als een ‘vat vol varkensvlees en bier’. De hanepoterige handtekening onder Händels testament maakt aanschouwelijk hoe de blindheid in zijn laatste jaren toeslaat.
Het heeft een haar gescheeld of hij deelde met Bach niet alleen zijn geboortejaar, maar ook het sterfjaar. Een koetsongeluk tussen Haarlem en Den Haag wordt Händel in 1750 bijna fataal. Mogelijk haast hij zich naar een theevisite bij zijn voormalige klavecimbelpupil Anna van Hannover, de echtgenote van Willem IV van Oranje. Of heeft hij zich, op doortocht, laten strikken voor orgelspel, wat kerken in Deventer, Den Haag en Haarlem nog weleens is gelukt.
Hij weet zijn afscheid uit te stellen tot 14 april 1759. De Duitser die zich in 1727 tot Engelsman heeft laten naturaliseren, wordt door drieduizend rouwenden bijgezet in Westminster Abbey. Vijftien jaar later vindt daar de eerste grote Händelherdenking plaats. Zijn oratoria houden repertoire, al schemert in 19de-eeuwse kritieken wel door dat het voor massakoren vooral een kwestie werd van brullen, blaffen en blaten.
Händels grafmonument in Westminster Abbey beeldt hem af met een vals geboortejaar (1684, gevolg van een kalenderwisseling) en een hit-aria uit zijn Messiah: ‘I know that my Redeemer liveth’. Je vraagt je af hoe die titel uit zijn Saksische mond heeft geklonken.
de Volkskrant, 22 januari 2009
Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen