27 maart 2009

Jean-Guihen Queyras: cellospelend zondagskind




foto: Yoshinori Mido

Kurtág nam hij door met Kurtág, graag kruipt hij in Haydns hoofd. Hij is in trek als solist, maar zal nooit beknibbelen op de kamermuziek. Jean-Guihen Queyras, een cellospelend zondagskind, vertoont de lenigheid van een nieuwe generatie. Eén probleempje is er wel.

Je kunt je van alles voorstellen bij de gesprekken die klassieke musici op tournee al reizend, rondhangend en naborrelend voeren. Ze delen een passie, en met de kunst ben je per slot van rekening nooit klaar. ‘Moeten we dat septiemakkoord niet steviger aanzetten?’ ‘Ik heb nú toch een vioolbouwer ontdekt!’ ‘Weet je ’t al van dirigent X z’n nieuwe vlam?’
Jean-Guihen Queyras, meestercellist, wil best onthullen waar de conversatie op luchthavens en in hotellobby’s om draait. Eigenlijk, beweert hij, is er maar één onderwerp.
‘Kinderen. We praten er heel de tijd over. En niet alleen de moeders. We moeten het er wel over hebben, want het is een groot probleem. Niemand slaagt erin om de balans te vinden tussen gezinsleven en muziek.’
Zo beschouwd schuilt er een gemis in elke pianotriller of cellohaal van een rondtoerende dertiger of veertiger. Vroeger – ja, vroeger. Queyras vermoedt dat helden als Casals, Tortelier en Rostropovitsj zich er niet door lieten kwellen. ‘Die hingen onbekommerd de grand soliste uit. Ik stel me voor dat ze af en toe een ansicht naar het thuisfront stuurden - en klaar.’
Hij zegt het zonder jaloezie. Over de muzikale kant van zijn leven is Jean-Guihen Queyras (42) namelijk dik tevreden. Hij is volop in trek als solist, staat tot aan z’n kruin in de kamermuziek en heeft net een nieuwe uitdaging gevonden: Haydnsymfonieën dirigeren vanaf de cellostoel.
Ook in die veelzijdigheid, vermoedt hij, verschilt zijn generatie van de vorige. ‘Het is voor ons doodnormaal om dat allemaal te combineren. Wij maken geen onderscheid tussen een solocarrière en de kamermuziek. Sterker nog: het een bevrucht het ander.’
Den Haag, begin maart. Jean-Guihen Queyras arriveert vanuit Praag, waar hij aan de bak mocht met het Eerste celloconcert van Saint-Saëns. Welk tempo wil je, vroeg het orkest. Speel nou maar, zei hij, het juiste tempo vinden we samen. ‘Ook als solist houd ik van de dialoog. Anders wordt het toch oersaai?’
In Diligentia pakt hij die avond uit met de violiste Isabelle Faust en pianist Alexander Melnikov. Ze spelen Haydn, Beethoven en Dvorák. Na Den Haag trekt het trio via Groningen naar Gent en Antwerpen. Weer een week dat de kleine Queyrasjes – 11, 8 en 5 – hun pa moeten missen.
Nederlandse programmeurs hebben wel meer heimweetaferelen op hun geweten. In 2004 gaven ze Queyras Vrij Spel in Vredenburg. Twee seizoenen later wist het Concertgebouw hem te strikken voor Een Weekend Met. Laatst zat hij in de Zaterdagmatinee. Komend weekend soleert hij bij Amsterdam Sinfonietta. In het voorjaar reist hij met pianist Alexandre Tharaud naar Nijmegen. Met de speelmakkers van het Arcanto Quartett doet hij Tilburg en Amsterdam aan.
In Queyras-recensies valt nogal eens het woord zondagskind. Zeldzaam, in de Provence, moeten de ouders zijn geweest die Bach aanbaden via de lp’s van zijn discipelen Harnoncourt, Leonhardt en Bijlsma. En niet elke schooljongen had het vermaarde oudemuzieklabel Harmonia Mundi als buur.
Jean-Guihen was tien toen hij voor het eerst een opnamemicrofoon zag. Hij had al een heel jaar celloles. Zo’n knaap kunnen we gebruiken, dachten ze bij de platenmaatschappij. Op een dag stelden ze hem voor aan twee heren. De ene heette William Christie en was barokdirigent. De andere, René Jacobs, genoot faam als mannenalt.
Queyras kreeg een gewichtige taak: drie dagen lang moest hij de blaasbalgen van Christies orgeltje bedienen. ‘Dat was nog een secuur klusje. Voor ik de ene balg had ingedrukt, moest de andere alweer naarboven. Een prachtige ervaring.’
Het klinkt op z’n Duits-Engels: Wunderful. Voor een Franse Canadees die via Algerije in de Midi belandde en tegenwoordig in Freiburg woont maar in Stuttgart lesgeeft, zijn de taalpaden soms glibberig.

Bruine ogen en een jongensachtig figuur. Een journaliste van Le Monde meende dat er aan Jean-Guihen Queyras een dandy verloren was gegaan. Pierre Boulez zag wel wat in de jonge twintiger die in 1990 een gooi kwam doen naar een plek in het Ensemble InterContemporain. Elf jaar bracht Queyras door bij deze elite, waar de Stockhausens, Ligeti’s en Kurtágs in levenden lijve aan de lessenaars verschenen.
Hij genoot ervan dat de last van de traditie, met al z’n wetten en restricties, van zijn schouders gleed. ‘Wie nieuwe muziek speelt, draagt zelf bij aan de definitie van goed en fout. Dat voelde erg bevrijdend.’
En hij leerde dat een partituur de verbeeldingskracht van een musicus net zo hard nodig heeft als de fantasie van een schepper. De componist die totale controle eist, frustreert zichzelf.
Zelfs György Kurtág zag dat in. Als voorbereiding op een cd-opname had Queyras lange privésessies met de Hongaar. Eén passage moest hij uitentreure herhalen. Tot Kurtág zei: stop, nu speelde je precies wat ik wilde, maar JIJ was er niet! Paradoxaal, maar van een genie als Kurtág kon Queyras het nog begrijpen ook. ‘Ik moest exact uitvoeren wat hij in z’n hoofd had, maar mocht tegelijkertijd mezelf niet vergeten.’
Als de levenden je al zo hard nodig hebben, geldt dat misschien nog sterker voor de doden. Queyras: ‘Krabbels op papier zijn een aftreksel van wat een componist zich voorstelt. Ik probeer altijd terug te gaan naar de oorsprong, zwem als een zalm tegen de stroom in. Waarom noteert een componist zijn noten zo, en niet anders?’
Hij ontdekte zijn instrument in Manosque, een dorp in de buurt van zijn woonplaats Forcalquier. Zijn broer zat er op vioolles en moest opdraven voor een voorspeelavond. Iemand streek een cello aan – en toen was alles anders.
‘Het werd een obsessie. Mijn ouders moesten meteen een instrument bestellen. Vanwege de zomervakantie kon dat ding pas weken later worden geleverd en al die tijd schijn ik als een gekooid leeuwtje te hebben rondgelopen. Met de strijkstok van mijn broer heb ik het op een gitaar geprobeerd, maar dat werd niks.’
Een paar jaar later zat hij al op het conservatorium van Lyon. Hij werd er gekneed in de Franse cellotraditie (‘elegant, de strijkstok is altijd in beweging, sommigen noemen het oppervlakkig’). Later in Freiburg leerde hij de robuustere grammatica van de Duitse school kennen. In New York vond hij snippers van de vooroorlogse Weense aanpak, die met de joodse diaspora waren verspreid. Zijn kennis van Bach en de darmsnaar verdiepte hij op een Frans chateau bij Anner Bijlsma.
Een typisch Franse cellist wil hij zichzelf niet noemen. ‘Nationale karakteristieken zijn toch al aan het vervagen, je merkt het ook bij symfonieorkesten. Ik klaag daar trouwens niet over. Als je je tegenwoordig wilt onderscheiden, moet je gewoon twee keer beter spelen.’

Op een doordeweekse avond in maart stroomt Diligentia moeiteloos vol voor het pianotrio Faust-Queyras-Melnikov. In meerderheid oogt de clientèle van de Stichting voor Kamermuziek ’s-Gravenhage alsof men zich de oprichting van het Beaux Arts Trio, in 1955, nog kan heugen.
Maar duifgrijs, parelgrijs of bijna grijs, aan de oren mankeert niets. Een fruitig opgediende Haydn oogst bijval. Na Dvoráks ‘Dumky’-trio klinkt bravo. Onder Beethoven schudt iemand z’n hoofd – zo mooi.
Voor de drie op het podium lijkt musiceren vooral te betekenen dat je elkaar doorlopend in de peiling houdt. Frappant hoe Alexander Melnikov zijn Steinwayklep wijdopen kan zetten en toch niet overheerst. Plooibaar zijn de strijkerstonen: gruizig of goed doorbloed, effen of pulserend, treiterend of welgemutst. Per tel kan de sfeer omslaan.
Natuurlijk kent Queyras de verhalen over pianotrio’s en strijkkwartetten die langzaam moeten rijpen. In dit vak zou je pas meetellen als je tien, liefst twintig jaar aan de weg timmert.
‘Begrijp me goed: een hechte club biedt voordelen. Maar juist doordat wij niet fulltime samenspelen, bieden we misschien een frissere blik en een spannender polyfonie.’
Het programma waarmee Sinfonietta Amsterdam hem dit weekend naar Nederland lokt, heet Hongaarse Hartstocht. Queyras geeft toe: het bruggetje dat Dohnányi, Ligeti en Kurtág moet verbinden met de Weense klassieker Haydn, is gammel. Hij kan zich tenminste geen zonniger en stralender stuk voorstellen dan Haydns Tweede celloconcert.
Terwijl: ‘Echte Hongaren vatten je bij de lurven. Hun muziek is fysiek, uitgesproken, altijd intens. Het ritme is belangrijk, er zit veel dans in.’
Om de swing te ontdekken daalde hij af in de dansholen van Boedapest. De aha-erlebnis kwam pas later, tijdens het festival van Aix-en-Provence.
Na een avond strijkkwartetten ontmoette Queyras een stel Hongaren uit de hoek van de volksmuziek. Ze raakten aan de boemel, en over kinderen ging het algauw niet meer. Om twee uur ’s nachts - ‘ik had een slok op’ – haalde Queyras zijn cello uit de kist. Of ze hem wilden helpen met de sonate van Kodály.
Stiekem had hij altijd maar wat aangerommeld. Vooral in het slotdeel: hier versnellen, daar vertragen. De Hongaren zeiden: één tempo, van begin tot eind. De volksdeuntjes die Kodály erin heeft gestopt moeten klinken alsof je met z’n allen rond het haardvuur zit en de een na de ander springt op om zijn bijdrage te leveren.
Queyras: ‘Razend moeilijk wordt het dan. Ik heb al mijn moed bij elkaar geraapt en het stuk gespeeld in de Franz Liszt Academie van Boedapest. Ze hebben me niet gelyncht.’
de Volkskrant, 19 maart 2009

19 maart 2009

Een rare snijboon: Alexandre Tharaud


✩✩✩✩
Het internationale pianocircuit biedt emplooi aan klavierleeuwen en showbinken, oppervlakkige grazers en meesters van de diepgang. Daarnaast bestaat er een categorie van de rare snijboon, en daarin valt Alexandre Tharaud.
Ga maar na: een piano heeft de Fransman niet in huis. Studeren doet hij op barrels bij vrienden. Een week voor een cd-opname raakt hij geen toets meer aan. Zulke malligheid maakt hem nog niet meteen tot een schertsfiguur. Van een Rameau-cd verkocht Tharaud meer dan vijftigduizend stuks. Goede zaken deed hij met een complete Ravel. Met zijn eigengereide kijk op barokmuziek en het standaardrepertoire valt hij bij een groot publiek in de smaak.
De pianist stapt dwars door eeuwen en stijlen. Niet alleen daarin lijkt Tharaud op Glenn Gould, hij vertoont ook diens tics. Bij de Fransman uiten ze zich vooral in een merkwaardige choreografie van arm, hand en vingers. In Enschede - waar het Muziekcentrum dit seizoen een driedelige Tharaudserie presenteert – zag het publiek hoe je een wijsvinger aan een parachute laat neerdalen op de toets. Karakteristiek was ook de rechterhand die in karatepositie boven het klavier verscheen – en toen besloot het ivoor te strelen.
Tharaud heeft toch al een zwak voor de intieme omgang met een Steinway. Over de stille wrijving tussen hamerkop en snaar hoef je hem niks te vertellen. Die fascinatie kwam goed van pas in muziek van Couperin en Chopin.
De ambachtelijke barokman en de Romantische dromer waren ongetwijfeld verbaasd dat ze elkaar in Enschede troffen. Toch had Tharaud de componisten goed ingeschat. De twee delen een voorliefde voor de miniatuur, en dan liefst geschakeld tot een reeks karakterstukken waarin je per geval zoekt naar een eenmalig, uniek geluid.
Zo pakte Tharaud het tenminste aan. Hij ontpopte zich daarbij als een architect die een serie monochrome, maar onderling zeer verschillende klankvlakken met elkaar verbindt. Gemeenschappelijk element was steeds het lichte klankdelirium dat hij aanbracht met het rechterpedaal.
In Couperin bleek meer te schuilen dan een grootleverancier van charmante niemendalletjes. En nadat Tharaud Chopin op de divan had gelegd, wisten we dat er in diens Frans-Poolse ziel meer nuchterheid huist dan we in de concertzaal doorgaans horen.
Neem het slot van de Préludes opus 28: alsof je in bleek maandagochtendlicht uit een roes ontwaakt. Naar het waarom bleef het raden, maar verfrissend was het wel.
Alexandre Tharaud (piano). Werken van Couperin en Chopin. Enschede, Muziekcentrum, 17 maart.
de Volkskrant, 19 maart 2009

11 maart 2009

Lorraine Hunt: verbluffend, verbijsterend



✩✩✩✩✩
Zingen met de dood voor ogen: Lorraine Hunt Lieberson hield het een paar jaar vol. Wie erbij was vergeet het nooit, haar Bachoptreden in het Holland Festival van 2005. Daar lag de Amerikaanse mezzo op het podium, gekleed in nachthemd en gekoppeld aan de nepinfusen van regisseur Peter Sellars. Ze zong de cantate Ich habe genug, met de jubelend getoonzette slot-aria ‘Ich freue mich auf meinem Tod’.
Een jaar later was ze overleden.
De diagnose borstkanker was al gesteld toen Lorraine Hunt in 2004 een liedrecital gaf in Ravinia, het festivaloord onder de rook van Chicago. Over haar toekomst maakte ze zich geen illusies. Aan dezelfde ziekte had ze een zus verloren. Wie die achtergrond niet kent, koestert in Hunts Raviniaplaat een verbluffende cd. Ben je van het malheur op de hoogte, dan ruil je ‘verbluffend’ algauw in voor ‘verbijsterend’.
Lorraine Hunt plooide het programma zorgvuldig rond de thematieken liefde en dood. Gevoeligheden ging ze niet uit de weg. De cantate La Lucrezia blijkt niet zomaar een stukje Händel, getuige de zinsnede ‘nu reeds begint deze dolk zijn dodelijke werk in mijn borst’. Ook het grafviooltje waarvan sprake is in Mozarts Abendempfindung an Laura, heeft z’n kop weleens opgestoken in een neutralere context.
Hunt doorgrondt poëtische diepten, of het nu in Brahms is, in Debussy, een spiritual of de titelsong van de film Baghdad Cafe. Per lied kiest ze een ander stembandtype, van omfloerst in de laagte tot nimfachtig hoog. Ze fluistert beloften, gonst met oe-klanken, en verstrengelt zich met de pianoklanken van Peter Serkin.
Een waarschuwing voor fans: sla extra zakdoeken in. En schaf meteen ook maar de nieuwe Wigmore Hall-cd aan die Lorraine Hunt tot leven wekt op 4 oktober 1999. Frauenliebe und -leben van Schumann: niet op bezuinigen.

Lorraine Hunt Lieberson (mezzosopraan), Peter Serkin (piano): Recital at Ravinia. Harmonia Mundi.
de Volkskrant, 5 maart 2009

Alle heldinnen uit dezelfde mal


✩✩✩
Sinds de kerstmatinee 2008 van het Concertgebouworkest weet iedereen dat de blonde lokken van Elina Garanca haar stem allerminst weerspiegelen. In het geluid van de Letse schuilen eerder de kleuren koper en kastanje.
Ze komt er een heel eind mee in het belcanto van Rossini, Bellini en Donizetti. Toch moet je vaststellen dat het repertoire zich hier dient te voegen naar het strottenhoofd van de zangeres. Of de helden en heldinnen nu Elisabetta, Tancredi of Zayda heten, ze komen allemaal uit dezelfde mal. Beschaafd, aristocratisch, en hooguit een tikkeltje gehavend door het leven.
Elina Garanca (mezzosopraan): Bel Canto. Filarmonia del Teatro Comunale di Bologna. DG.
de Volkskrant, 5 maart 2009

Lol met Händel



Sandrine Piau


✩✩✩✩
We gaan lol maken, bezwoeren Sandrine Piau, Sara Mingardo en Rinaldo Alessandrini elkaar toen ze de studio indoken met Händel. De barokcomponist, ook niet de beroerdste, leverde de fraaiste aria’s die hij in Londen toesneed op de stemmen van Faustina Bordoni, Margherita Durastanti en Senesino de castraat.
En lol werd er gemaakt – als je daaronder ook de smachtende virtuositeit mag verstaan waarmee Piau haar frases oprekt, of het zoete universum dat ze opent met één klinker. In de recitatieven van Sara Mingardo zit testosteron en over Händels italianità hoef je dirigent Alessandrini evenmin iets wijs te maken.
Hoogtepunt: ‘Penna tiranna’ uit Amadigi, het door Händel gerecyclede succesnummer ‘Lascia ch’io pianga’. Wat Sara Mingardo daar uitspookt met een neusverkouden fagottist en meewenende hobo, moet elke Händelhater op de knieën krijgen.
Händel: aria’s. Sandrine Piau (sopraan), Sara Mingardo (alt), Concerto Italiano o.l.v. Rinaldo Alessandrini. Naïve.
de Volkskrant, 5 maart 2009

4 maart 2009

Antonio Pappano musiceert op de rand van de vulkaan

✩✩✩✩
Meestal ontvangen we vanuit Rome een corrigerende tik wanneer het de verkeerde kant opgaat op het gebied van geloofszaken of de zeden. De mep die in het Concertgebouw werd uitgedeeld kwam voor de verandering nu eens uit de Romeinse orkesthoek. Eigenaren en gebruikers van de losse handjes waren dirigent Antonio Pappano en het Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia.
De Italianen lieten iets horen wat met de voortsluipende uniformering van toporkesten een schaars goed wordt: authenticiteit. Een gevaarlijke term, want voor je het weet zit je opgescheept met associaties van pittoreske dorpspleintjes en balsamicodressing. Maar met gezellige folklore heeft het spel van Pappano en kornuiten niets van doen. Eerder met artistieke noodzaak, eigenheid en lol. Musiceren lijkt voor hen als dansen op de rand van de vulkaan. Je waagt je leven, maar de adrenaline stroomt.
Dat willen we zien, dacht de Concertgebouwdirectie, en men liet het Santa-Ceciliaorkest zijn Amsterdamse debuut openen met Bartóks levensgevaarlijke Concert voor Orkest. Niks ouverture om de spieren op te warmen, meteen met de billen bloot.
Nu ja, meteen... De typisch Hollandse aanvangstijd, kwart over acht, werd op z’n Italiaans geïnterpreteerd. Eerst wandelde men bedaard binnen - applaus. Daarna kwam de concertmeester op – applaus. Toen moest er nog gestemd worden. Pas tegen halfnegen daalde Antonio Pappano, de Brits-Amerikaanse dirigent met Italiaanse wortels, eindelijk de trap af.
Hij diende als muziekchef in de Brusselse Munt en bestiert tegenwoordig in Londen het operahuis van Covent Garden. Toeval of niet, het leek alsof hij onder Bartóks Concert een libretto had gekalkt. Geen motiefje zonder zeggingskracht, geen noot of hij zat in een context. Aan het theater waren bovendien de extremen ontleend, zoals orkestrale steekvlammen en de blauwige gloed van violen in de spaarstand.
In zijn Concert zet Bartók heel vilein een thema van Sjostakovitsj te kijk. Die mocht in Amsterdam terugslaan met de Vijfde symfonie. Ook de Rus profiteerde van Pappano’s aanpak, al was het maar vanwege diens Verdiaans opflakkerende dramatiek.
De Italianen kregen mediterrane toejuichingen over zich uitgestort. Van schrik speelden ze twee toegiften. De solocellist liet zijn snaren zingen in een intermezzo uit Puccini’s Manon Lescaut. Met de ouverture Willem Tell stuurde Antonio Pappano iedereen naar bed.
Toegegeven, er liep weleens iemand uit de pas. Op Romeinse fortissimo’s was de Grote Zaal slecht berekend. Maar over de Italiaanse orkestcultuur (‘allemaal ijdeltuiten en primadonna’s’) doen we nooit meer lacherig.
Orchestra dell’Accademia Nazionale di Santa Cecilia o.l.v. Antonio Pappano. Werken van Bartók en Sjostakovitsj.Amsterdam, Concertgebouw, 1 maart 2009.
de Volkskrant, 4 maart 2009