
foto: Yoshinori Mido
Kurtág nam hij door met Kurtág, graag kruipt hij in Haydns hoofd. Hij is in trek als solist, maar zal nooit beknibbelen op de kamermuziek. Jean-Guihen Queyras, een cellospelend zondagskind, vertoont de lenigheid van een nieuwe generatie. Eén probleempje is er wel.
Je kunt je van alles voorstellen bij de gesprekken die klassieke musici op tournee al reizend, rondhangend en naborrelend voeren. Ze delen een passie, en met de kunst ben je per slot van rekening nooit klaar. ‘Moeten we dat septiemakkoord niet steviger aanzetten?’ ‘Ik heb nú toch een vioolbouwer ontdekt!’ ‘Weet je ’t al van dirigent X z’n nieuwe vlam?’
Jean-Guihen Queyras, meestercellist, wil best onthullen waar de conversatie op luchthavens en in hotellobby’s om draait. Eigenlijk, beweert hij, is er maar één onderwerp.
‘Kinderen. We praten er heel de tijd over. En niet alleen de moeders. We moeten het er wel over hebben, want het is een groot probleem. Niemand slaagt erin om de balans te vinden tussen gezinsleven en muziek.’
Zo beschouwd schuilt er een gemis in elke pianotriller of cellohaal van een rondtoerende dertiger of veertiger. Vroeger – ja, vroeger. Queyras vermoedt dat helden als Casals, Tortelier en Rostropovitsj zich er niet door lieten kwellen. ‘Die hingen onbekommerd de grand soliste uit. Ik stel me voor dat ze af en toe een ansicht naar het thuisfront stuurden - en klaar.’
Hij zegt het zonder jaloezie. Over de muzikale kant van zijn leven is Jean-Guihen Queyras (42) namelijk dik tevreden. Hij is volop in trek als solist, staat tot aan z’n kruin in de kamermuziek en heeft net een nieuwe uitdaging gevonden: Haydnsymfonieën dirigeren vanaf de cellostoel.
Ook in die veelzijdigheid, vermoedt hij, verschilt zijn generatie van de vorige. ‘Het is voor ons doodnormaal om dat allemaal te combineren. Wij maken geen onderscheid tussen een solocarrière en de kamermuziek. Sterker nog: het een bevrucht het ander.’
Den Haag, begin maart. Jean-Guihen Queyras arriveert vanuit Praag, waar hij aan de bak mocht met het Eerste celloconcert van Saint-Saëns. Welk tempo wil je, vroeg het orkest. Speel nou maar, zei hij, het juiste tempo vinden we samen. ‘Ook als solist houd ik van de dialoog. Anders wordt het toch oersaai?’
In Diligentia pakt hij die avond uit met de violiste Isabelle Faust en pianist Alexander Melnikov. Ze spelen Haydn, Beethoven en Dvorák. Na Den Haag trekt het trio via Groningen naar Gent en Antwerpen. Weer een week dat de kleine Queyrasjes – 11, 8 en 5 – hun pa moeten missen.
Nederlandse programmeurs hebben wel meer heimweetaferelen op hun geweten. In 2004 gaven ze Queyras Vrij Spel in Vredenburg. Twee seizoenen later wist het Concertgebouw hem te strikken voor Een Weekend Met. Laatst zat hij in de Zaterdagmatinee. Komend weekend soleert hij bij Amsterdam Sinfonietta. In het voorjaar reist hij met pianist Alexandre Tharaud naar Nijmegen. Met de speelmakkers van het Arcanto Quartett doet hij Tilburg en Amsterdam aan.
In Queyras-recensies valt nogal eens het woord zondagskind. Zeldzaam, in de Provence, moeten de ouders zijn geweest die Bach aanbaden via de lp’s van zijn discipelen Harnoncourt, Leonhardt en Bijlsma. En niet elke schooljongen had het vermaarde oudemuzieklabel Harmonia Mundi als buur.
Jean-Guihen was tien toen hij voor het eerst een opnamemicrofoon zag. Hij had al een heel jaar celloles. Zo’n knaap kunnen we gebruiken, dachten ze bij de platenmaatschappij. Op een dag stelden ze hem voor aan twee heren. De ene heette William Christie en was barokdirigent. De andere, René Jacobs, genoot faam als mannenalt.
Queyras kreeg een gewichtige taak: drie dagen lang moest hij de blaasbalgen van Christies orgeltje bedienen. ‘Dat was nog een secuur klusje. Voor ik de ene balg had ingedrukt, moest de andere alweer naarboven. Een prachtige ervaring.’
Het klinkt op z’n Duits-Engels: Wunderful. Voor een Franse Canadees die via Algerije in de Midi belandde en tegenwoordig in Freiburg woont maar in Stuttgart lesgeeft, zijn de taalpaden soms glibberig.
Bruine ogen en een jongensachtig figuur. Een journaliste van Le Monde meende dat er aan Jean-Guihen Queyras een dandy verloren was gegaan. Pierre Boulez zag wel wat in de jonge twintiger die in 1990 een gooi kwam doen naar een plek in het Ensemble InterContemporain. Elf jaar bracht Queyras door bij deze elite, waar de Stockhausens, Ligeti’s en Kurtágs in levenden lijve aan de lessenaars verschenen.
Hij genoot ervan dat de last van de traditie, met al z’n wetten en restricties, van zijn schouders gleed. ‘Wie nieuwe muziek speelt, draagt zelf bij aan de definitie van goed en fout. Dat voelde erg bevrijdend.’
En hij leerde dat een partituur de verbeeldingskracht van een musicus net zo hard nodig heeft als de fantasie van een schepper. De componist die totale controle eist, frustreert zichzelf.
Zelfs György Kurtág zag dat in. Als voorbereiding op een cd-opname had Queyras lange privésessies met de Hongaar. Eén passage moest hij uitentreure herhalen. Tot Kurtág zei: stop, nu speelde je precies wat ik wilde, maar JIJ was er niet! Paradoxaal, maar van een genie als Kurtág kon Queyras het nog begrijpen ook. ‘Ik moest exact uitvoeren wat hij in z’n hoofd had, maar mocht tegelijkertijd mezelf niet vergeten.’
Als de levenden je al zo hard nodig hebben, geldt dat misschien nog sterker voor de doden. Queyras: ‘Krabbels op papier zijn een aftreksel van wat een componist zich voorstelt. Ik probeer altijd terug te gaan naar de oorsprong, zwem als een zalm tegen de stroom in. Waarom noteert een componist zijn noten zo, en niet anders?’
Hij ontdekte zijn instrument in Manosque, een dorp in de buurt van zijn woonplaats Forcalquier. Zijn broer zat er op vioolles en moest opdraven voor een voorspeelavond. Iemand streek een cello aan – en toen was alles anders.
‘Het werd een obsessie. Mijn ouders moesten meteen een instrument bestellen. Vanwege de zomervakantie kon dat ding pas weken later worden geleverd en al die tijd schijn ik als een gekooid leeuwtje te hebben rondgelopen. Met de strijkstok van mijn broer heb ik het op een gitaar geprobeerd, maar dat werd niks.’
Een paar jaar later zat hij al op het conservatorium van Lyon. Hij werd er gekneed in de Franse cellotraditie (‘elegant, de strijkstok is altijd in beweging, sommigen noemen het oppervlakkig’). Later in Freiburg leerde hij de robuustere grammatica van de Duitse school kennen. In New York vond hij snippers van de vooroorlogse Weense aanpak, die met de joodse diaspora waren verspreid. Zijn kennis van Bach en de darmsnaar verdiepte hij op een Frans chateau bij Anner Bijlsma.
Een typisch Franse cellist wil hij zichzelf niet noemen. ‘Nationale karakteristieken zijn toch al aan het vervagen, je merkt het ook bij symfonieorkesten. Ik klaag daar trouwens niet over. Als je je tegenwoordig wilt onderscheiden, moet je gewoon twee keer beter spelen.’
Op een doordeweekse avond in maart stroomt Diligentia moeiteloos vol voor het pianotrio Faust-Queyras-Melnikov. In meerderheid oogt de clientèle van de Stichting voor Kamermuziek ’s-Gravenhage alsof men zich de oprichting van het Beaux Arts Trio, in 1955, nog kan heugen.
Maar duifgrijs, parelgrijs of bijna grijs, aan de oren mankeert niets. Een fruitig opgediende Haydn oogst bijval. Na Dvoráks ‘Dumky’-trio klinkt bravo. Onder Beethoven schudt iemand z’n hoofd – zo mooi.
Voor de drie op het podium lijkt musiceren vooral te betekenen dat je elkaar doorlopend in de peiling houdt. Frappant hoe Alexander Melnikov zijn Steinwayklep wijdopen kan zetten en toch niet overheerst. Plooibaar zijn de strijkerstonen: gruizig of goed doorbloed, effen of pulserend, treiterend of welgemutst. Per tel kan de sfeer omslaan.
Natuurlijk kent Queyras de verhalen over pianotrio’s en strijkkwartetten die langzaam moeten rijpen. In dit vak zou je pas meetellen als je tien, liefst twintig jaar aan de weg timmert.
‘Begrijp me goed: een hechte club biedt voordelen. Maar juist doordat wij niet fulltime samenspelen, bieden we misschien een frissere blik en een spannender polyfonie.’
Het programma waarmee Sinfonietta Amsterdam hem dit weekend naar Nederland lokt, heet Hongaarse Hartstocht. Queyras geeft toe: het bruggetje dat Dohnányi, Ligeti en Kurtág moet verbinden met de Weense klassieker Haydn, is gammel. Hij kan zich tenminste geen zonniger en stralender stuk voorstellen dan Haydns Tweede celloconcert.
Terwijl: ‘Echte Hongaren vatten je bij de lurven. Hun muziek is fysiek, uitgesproken, altijd intens. Het ritme is belangrijk, er zit veel dans in.’
Om de swing te ontdekken daalde hij af in de dansholen van Boedapest. De aha-erlebnis kwam pas later, tijdens het festival van Aix-en-Provence.
Na een avond strijkkwartetten ontmoette Queyras een stel Hongaren uit de hoek van de volksmuziek. Ze raakten aan de boemel, en over kinderen ging het algauw niet meer. Om twee uur ’s nachts - ‘ik had een slok op’ – haalde Queyras zijn cello uit de kist. Of ze hem wilden helpen met de sonate van Kodály.
Stiekem had hij altijd maar wat aangerommeld. Vooral in het slotdeel: hier versnellen, daar vertragen. De Hongaren zeiden: één tempo, van begin tot eind. De volksdeuntjes die Kodály erin heeft gestopt moeten klinken alsof je met z’n allen rond het haardvuur zit en de een na de ander springt op om zijn bijdrage te leveren.
Queyras: ‘Razend moeilijk wordt het dan. Ik heb al mijn moed bij elkaar geraapt en het stuk gespeeld in de Franz Liszt Academie van Boedapest. Ze hebben me niet gelyncht.’
de Volkskrant, 19 maart 2009




