27 september 2009

Een Ring met risico


foto: Marco Borggreve

Enschede stort zich op Wagner. De Nationale Reisopera werkt stap voor stap toe naar de integrale uitvoering van Der Ring des Nibelungen, in het Wagnerjaar 2013. ‘Wat zo’n Ring inhoudt beseffen maar weinig bestuurders, dat was misschien een voordeel.’

‘Wallala! Lalaleia! Heia! Heia! Haha!’ In het Nationaal Muziekkwartier lopen drie Rijndochters te dollen met de dwerg Alberich. Een beetje opvrijen, een beetje teasen: Woglinde, Wellgunde en Flosshilde gooien al zingend hun charmes in de strijd. Maar de dames worden overmoedig en raken de controle kwijt. ‘Hilfe! Hilfe!’ kaatst het over het toneel.
Niet dat Alberich er smakelijk z’n tanden in zet. Ook bij deze repetitie van de Nationale Reisopera toomt de Nibelung zijn geilheid in. Hij gaat aan de haal met het Rijngoud, waarover de dames moeten waken. De ellendeling sleept het mee naar zijn onderaardse rijk, waar hij een bijzondere ring smeedt: wie hem draagt bezit absolute wereldmacht.

Der Ring des Nibelungen. Voor concept en uitvoering tekende Richard Wagner. Alles aan zijn onderneming was megalomaan. Eigenhandig schreef hij de tekst en de noten van vier opera’s, ieder voor zich avondvullend. Zestien uur spektakel, gevat in bedwelmende muziek.
Als hoogste ideaal geldt de uitvoering als cyclus, van Rijngoud naar godenschemering binnen een week. Sinds de première in 1876 vormt het vierluik droom en nachtmerrie van elk operahuis. Wie een integrale Ring produceert, telt mee.

Toen Guus Mostart negen jaar geleden aantrad bij de Reisopera, zongen er al plannen rond voor een nieuwe zaal. Een uitgelezen kans, meende de intendant, om die zo te outilleren dat de Gesamtkunst van Wagner er optimaal gedijt. Met succes lobbyde Mostart voor royale zijtonelen en de grootste orkestbak van het land. Vorig jaar november werd het Nationaal Muziekkwartier door de koningin geopend.
Met Wagners tweehonderdste geboortejaar in zicht en een perfecte locatie in de knip, achtte Mostart de Nationale Reisopera rijp voor zijn meesterproef. Een Ring in Enschede – waarom niet?
Zijn droom stuitte her en der op scepsis. Waar dacht Mostart het geld vandaan te halen? Legde hij het niet af tegen de Duitse operahuizen om de hoek? Zat De Nederlandse Opera trouwens niet te broeden op een laatste reprise van Audi’s gelauwerde Ring? En moest die hele santenkraam ook gaan reizen?

In Overijssel hoefde Mostart het idee gek genoeg niet te verkopen. ‘Wat zo’n Ring inhoudt beseffen maar weinig bestuurders, dat was misschien een voordeel. Afgezien daarvan: ik vind dat een artistiek leider nu eenmaal de plicht heeft om risico’s te nemen.’
Eén dreiging werd gedemonteerd: De Nederlandse Opera beloofde zijn Ring niet cyclusgewijs te programmeren. En het Duitse achterland, merkte Mostart, bood juist kansen. ‘Op de kaartverkoop voor Das Rheingold heeft een persconferentie in Münster gunstig uitgewerkt.’
En zo opent elk Reisoperaseizoen de komende vijf jaar met Wagner. Das Rheingold vanaf nu. Die Walküre in 2010. Na Siegfried (2011) en Götterdämmerung (2012) volgt in 2013 de apotheose met twee cycli van de Ring.

Maar op reis met Wagner gaat de Reisopera niet. Het hojotoho van de Walkurenrit zal niet schallen in Apeldoorn, Tilburg en Utrecht. De reuzen Fasolt en Fafner sjouwen aan de schouwburgen van Drachten, Groningen en Rotterdam voorbij.
Mostart: ‘Reizen met zo’n cyclus zou te veel praktische problemen opleveren. Daarom hebben we onze vaste theaters uitgenodigd om naar ons te komen. De meeste nemen inderdaad een contingent kaarten af, sommige charteren zelfs een bus. Onze trouwe bezoekers hoeven niets te missen.’
Of die Reisoperafans in 2013 de ineenstorting van het godenrijk van nabij kunnen zien, staat volgens Mostart nog niet vast. ‘Ik hoop dat het project na Das Rheingold en Die Walküre zodanig leeft, dat we subsidiënten opnieuw kunnen enthousiasmeren. Daarnaast is mijn hoop gevestigd op het aanboren van particulier mecenaat.’

Niemand die daar zo’n handigheid in had als Richard Wagner. In Bayreuth liet hij zijn eigen Festspielhaus bouwen, met genereuze steun van de excentrieke koning Ludwig de Tweede. Hoe de Ring een provinciestad optilt, kunnen Enschedese bestuurders navragen in Bayreuth. Daar functioneert het Festspielhaus nog elke zomer, tot volle tevredenheid van hotels, restaurants en de taxibranche.
Mostart: ‘Een Wagnercyclus trekt onherroepelijk mensen van buiten. Die lopen hier in 2013 minstens een week rond. We kregen al mail van de Wagnervereniging in Taiwan: ’We will not miss your Ring!’
‘Oerdrift en emotie, opera die je raakt!’ Met die slogan biedt de Enschedese VVV alvast maatwerk voor Das Rheingold. De arrangementen lopen vanaf 70 euro, inclusief koffie en krentewegge, hotel, ontbijtbuffet, operakaartje, programmaboek en stadsgids.

In de artiestenfoyer van het Nationaal Muziekkwartier houdt men het voorlopig op een tostado Wagner: een zachte bol met ham, kaas en tomaat. Champagne en appeltaart staan klaar voor het feestje van Antony McDonald. Per slot van rekening wordt de regisseur maar één keer 59. ‘Oh dear’ verzucht de Brit, terwijl hij het pakpapier van zijn cadeautje scheurt. ‘En dan te bedenken dat jullie nóg vier jaar zitten opgescheept met mijn verjaardag.’
Het wordt zijn eerste Ring. Sterker nog: het wordt McDonalds eerste Wagner. Bij De Nederlandse Opera ontwierp hij in recente seizoenen het decor en de kostuums van Het sluwe vosje en Un ballo in maschera. De Reisopera trok hem eerder al aan voor beeld en regie van Puccini’s Manon en King Priam van Michael Tippett.

De Brit behoort niet tot de taalgevoeligen die struikelen over Wagneriaanse stijlbloempjes als garstig glatter glitschriger Glimmer (walgelijk glad glibberig slijm). Integendeel, zegt de multikunstenaar na de champagne. ‘Ik werd juist verrast door de rijkdom van het libretto. Je hoeft niets te construeren en kunt naar hartelust graven in de psychologie.’
Voor hem gaat de Ring vooral over liefde, meer dan over macht. ‘Er spelen familierelaties een rol waarvoor ik parallellen zie in Wagners leven. Hoe verhield hij zich tot zijn stiefvader? Hoe sterk was de band met zijn zus? Dat boeit me meer dan het spektakel met draken en vuur.’

In Enschede overziet Wotan de bouw van zijn Walhalla vanaf een treinstation. De Rijndochters pesten Alberich op een gekapseisde boot. McDonald beschouwt de meiden als wispelturige oppastieners, snel afgeleid van hun taak.
‘En Wotan plaats ik aan het hoofd van een verwende aristocratische familie, ontspoorde Bildungsbürger, denk aan de romans van Thomas Mann. In Das Rheingold zit ook een sterk klasse-element, met al dat werkvolk van dwergen en reuzen.’
Hoe het Walhalla drie opera’s later in vlammen opgaat –McDonald heeft nog geen idee. ‘Ik hanteer geen strikt concept en zie ook niet in hoe dat zou kunnen. Daarvoor is zo’n cyclus is veel te vloeibaar. Laten we zeggen dat het evolueert.’

‘Verflucht sei dieser Ring!
’ Ed Spanjaard haalt een raspende bariton uit z’n tenen. Ook al leidt de dirigent een avondrepetitie zonder zangers, van het libretto hoeft het Orkest van het Oosten geen letter te missen. Spanjaard zingt net zo makkelijk Alberich als Wotan of diens gemalin Fricka. Aanwijzingen komen tussendoor. ‘Iets meer vierde hoorn graag. Waar is de derde fagot? Bin ich nun frei, wirklich frei?’
In 1973 hamert Spanjaard in de orkestbak van Covent Garden al op de aambeeldjes van het Nibelungenrijk. Tien jaar later assisteert hij in Bayreuth de dirigerende legende Georg Solti. En hij trekt er op met degene die hem naar de Enschedese Ring haalt wanneer Jaap van Zweden afzegt: Guus Mostart, in Bayreuth de rechterhand van regisseur Peter Hall.

Als Wagnerdirigent werkt Spanjaard het ene jaar met het Orkest van het Oosten, het andere jaar kijkt hij Het Gelders Orkest in de ogen. In Das Rheingold leidt hij een half Nederlandse cast. De Rijndochters wortelen in de polder (Hanneke de Wit, Marjolein Niels, Corinne Romijn), net als de goden Freia, Donner en Froh (Machteld Baumans, Thomas Oliemans, André Post). En ook al woont Harry Peeters alweer jaren in België, als Wotan maakt de Limburger de komende jaren zijn kilometers op het Twentse toneel.
Het wordt de eerste complete Ring van de bas-bariton, die zich er stiekem al een jaar of vijftien op heeft voorbereid. ‘Je doet eens een Fasolt, neemt een Alberich aan, en op een dag ben je klaar voor Wotan. Ik heb de rol in afzonderlijke opera’s gezongen in Tokio, Münster en Perth.’

De ideale Wotan, vindt Peeters, kan het soms duistere Wagner-Duits woord voor woord verklaren. Als zanger moet hij gerijpt zijn: één stabiele luchtkolom, geen stembreuk, geen foutjes. Bovendien heeft hij levenservaring, dat spreekt voor zich.
‘En daarmee daal je af naar je buikgevoel. Wotan leeft immers in een foute emotionele wereld, waar de drang naar bezit en macht alles overheerst. Iedereen is bang om iets te verliezen. En als dat inderdaad gebeurt komt de schaamte en worden gevoelens verstopt.’
De stelling van Harry Peeters: die goden zitten in ons gekke hoofd. ‘Dan komt de emotionele pijngrens algauw in zicht. Dit wordt bij uitstek een menselijke Ring.’

de Volkskrant, 25 september 2009

18 september 2009

Cornelis Dopper, de tragische Veenkoloniaal


Cornelis Dopper (links) met Mahler, Mengelberg en Diepenbrock


Tentoonstellingen, concerten en een standbeeld: Groningen eert de vergeten componist Cornelis Dopper, die werd geboren in Stadskanaal. Biograaf en organisator Joop Stam trotseerde glazige blikken en geschuifel op de stoel.

‘Hier komt-ie te staan.’ Met armen en benen bakent Joop Stam flink wat kubieke meters af op het Raadhuisplein van Stadskanaal. Stam schreef de biografie van Cornelis Dopper en hier heeft hij jaren voor gestreden: een standbeeld van de componist en dirigent die in 1870, tweehonderd meter verderop, langs het kanaal werd geboren.

Schitteren op de tweede rang heet de pil die Joop Stam in 2002 publiceerde. Een afgeslankte editie is zojuist verschenen, zonder notenbalken, maar met extra illustraties. Die vormt de opmaat van een festival dat in Groningen z’n sporen trekt tussen Doppers 70ste sterfdag (18 september 2009) en 140ste geboortedag (7 februari 2010).

Ordebewaker, hulpsheriff, onderknuppel – over de man die als assistent-dirigent van het Concertgebouworkest bijna 25 jaar zwoegde in de schaduw van Willem Mengelberg, is genoeg denigrerends geschreven. Toch had gastdirigent Gustav Mahler, gekomen met zijn Zevende symfonie, alle lof voor Doppers inzeepwerk. Topdirigent Pierre Monteux stuurde brieven die begonnen met ‘Doppie dear’. En met Richard Strauss kuierde de Oost-Groninger door Amsterdam, pratend over 17de-eeuwse schilderkunst.

Strauss was het ook die Doppers Zesde symfonie – met draaiorgel- en carillonimitatie – in 1918 introduceerde in Berlijn. Doppers Ciaconna gotica vond een vaste plek in de reiskoffer van Willem Mengelberg. Tot de getrouwen behoorden verder Karl Muck, George Szell en Eduard van Beinum.

Ook Stadskanaal was ooit trots op zijn muzikale zoon, die vanuit de grachtengordel nog maar zelden de terugreis aanvaardde. In 1951 legde de Stadskanaalse middenstand botje bij botje voor een plaquette, die werd ingemetseld in het pand dat Doppers geboortehuis had vervangen. Vier decennia later kon Joop Stam de reliëfsteen ternauwernood redden van de slopershamer. Tegenwoordig hangt hij bij de muziekschool in de hal.

Cornelis Dopper, de tragische Veenkoloniaal. Hij was ongelukkig in de liefde en lag onder vuur als dirigent. Zijn composities raakten vergeten, doorspekt als ze waren met traditionele melodieën (‘O Nederland, let op U saeck’) en gedrenkt in ouderwetse harmoniek. Maar het tij lijkt te keren, nu Joop Stam zich ermee bemoeit.

Streektaalpoëet Geert Teis schreef in 1913 al een lofdicht op ‘Knelis Dopper, hoge kunst’noar, grootste Knaolster dei d’r is.’ Volgens de Winschotense dichter Saul van Messel, pseudoniem van Jaap Meijer, de vader van Ischa, componeerde Cornelis Dopper ‘wiederwaaidege wiezn / die gliedn as tjaalkn liek daip’ (prachtige melodieën, die glijden als tjalken door het kanaal).

Toch moest Joop Stam met zijn standbeeldplan nog flink leuren. Tegenwoordig associeert Stadskanaal de naam Dopper hooguit met het voormalige Hotel Dopper aan de Hoofdstraat, decennialang de plek voor handelsreizigers, toneelavonden en het sinterklaasfeest. Het besef dat op die locatie een muzikale Knaolster zijn jeugd heeft gesleten, bleek nagenoeg weggesijpeld.

Stam, de geboren Hagenaar, merkte het toen hij zich meldde op het stadhuis. Cornelis Dopper? Glazige blikken, geschuifel op de stoel. De biograaf haalde bewijsmateriaal uit zijn tas. Affiche uit Genève: Willem Mengelberg dirigeert Beethoven, Liszt – en Dopper. Dopper op de kiek met Mahler. Dopper naast Stravinsky en Respighi. De jonge Dopper dirigerend in Amerika, waar hij met Puccini’s Madama Butterfly rondtoert in een André-Rieuachtige karavaan.

Onder de leuze ‘Stadskanaal op de kaart’ werd de zaak uiteindelijk beklonken. De onthulling, niet ver van de muziekschool in het Cornelis Doppergebouw, vormt de apotheose van het Festival. Stam heeft met succes gepleit voor een staande Dopper, op een sokkel, bij de fontein. ‘Niet dirigerend, daar lag niet zijn kracht, maar als componist, leunend op de lessenaar. Dopper houdt zijn pen in de hand en kijkt uit over het Raadhuisplein.’ De maker, Loek Bos, portretteerde eerder kunstenaars als Toon Hermans en Paul van Vliet.

Heerst er in Amsterdam een oorverdovende stilte rond Mengelbergs steun en toeverlaat, Stadskanaal maakt zich op voor de wereldpremière van Doppers Requiem, door Joop Stam aan de archieven ontrukt. In Veendam klinken Dopperliederen als Nachtstille en Mädel, geh’ an die Sonne. Voor kamermuziek kan de liefhebber terecht in Valthermond en Groningen-Stad. Jeugdkoren buigen zich in Hoogezand over De zeven boeven en Tom en Tim. Dopperexpo’s worden ingericht in het Veenkoloniaal Museum in Veendam en het Streekhistorisch Centrum van Stadskanaal (foto´s uit Doppers tijd). Intussen rent de voorzitter van de Stichting Cornelis Dopper, Joop Stam, van lezing naar inleiding naar vernissage.

Bien étonnés: Stam (1934), de oud-avantgardist die in de jaren vijftig compositieles nam bij Kees van Baaren; die elektronicapionier Edgard Varèse de hand schudde; die experimenteerde met sinus- en zaagtandgolven; die in 1959 een Gaudeamusprijs kreeg voor het strijkkwartet Functionele muzieken; die na lange omzwervingen in Zuid-Afrika in 1978 aantrad als directeur van de Algemene Muziekschool Zuid-Groningen.

En Cornelis Dopper (1870-1939): de trendvolger die noten schreef van ‘onbekommerde eerlijkheid’ (volgens tijdgenoot Herman Rutters); die door componist Willem Pijper welwillend werd omschreven als ‘een wandelaar, geen ontdekkingsreiziger’; wiens ‘Zuiderzeesymfonie’ muziekcriticus Matthijs Vermeulen zo op de zenuwen werkte dat hij in 1918, na een uitvoering onder Dopper, overeind sprong en in de Grote Zaal een legendarische kreet slaakte. ‘Leve Sousa!’

Tot het carillon van Veendam is van John Philip Sousa, de Amerikaanse marsenkoning, nog geen melodie doorgedrongen. Van Cornelis Dopper evenmin. Wel klingelt Hey Jude over het Veendamse Museumplein, een voorproefje van de Beatlesweek in Cultuurcentrum vanBeresteyn. Hendrik Hachmer, conservator van het Veenkoloniaal Museum, heeft net de posters ontvangen voor Cornelis Dopper: componist tussen Mahler & Mengelberg. Op het affiche leunt de muzikale Knaolster tegen de mast van een zeilschip, wie weet speurend naar inspiratie voor de ‘Zuiderzeesymfonie’, zijn Zevende.

Dertigduizend turfaken per jaar zag de jeugdige Dopper aan zijn geboortehuis voorbijglijden. Op tientallen werven in de buurt werd getimmerd aan schepen voor de grote vaart. Conservator Hachmer: ‘De 19de eeuw vormde de bloeiperiode van de Veenkoloniën. De armoe die iedereen met de streek associeert, kwam pas later.’ Toch hadden ze het bij logementhouder Dopper niet breed. Als puber begraaft Cornelis zijn ouders. Vioolles in Winschoten kan er nog net af. Hij weet zelfs het conservatorium van Leipzig te bereiken. Maar uit geldgebrek pakt hij na anderhalf jaar z’n koffers.

Matig opgeleid keert hij terug naar Stadskanaal. Via Sappemeer, Groningen en Balk komt Dopper, muziekleraar en de volhardende componist van opera’s als De blinde van Castel Cuillé en Frithjof, in 1897 terecht in Amsterdam. Hij wordt repetitor bij de Nederlandse Opera, een onderneming van Cornelis van der Linden, die De blinde een paar jaar eerder in Den Haag heeft geregisseerd. In 1904 stelt de timide Dopper een daad: hij speelt zijn Derde symfonie, bijgenaamd ‘Rembrandt’, voor aan Willem Mengelberg. Die kan de oud-Hollandse vergezichten wel waarderen en maakt er in het Rembrandtjaar 1906 goede sier mee. In 1908 mag de componist het stuk bij het Concertgebouworkest zelf komen zwaaien. En met succes: Mengelberg lijft hem in als tweede dirigent. Dopper groeit door tot onderdirecteur en zwaait in 1931 af. Zijn opvolger heet Eduard van Beinum.

Dopper, de voormalige armoedzaaier, komt te verkeren tussen de artistieke elite. Als bijna-autodidact werkt hij voor het dirigerende genie Mengelberg. Ingeklemd tussen chef en orkest haalt hij de kastanjes uit het vuur. Willem Pijper beschrijft Dopper als iemand aan wie het ongemak kleeft, ‘door zijn afkomst, door zijn persoonlijkheid, door intriges, door onbegrip, door z’n conservatisme – een man die zichzelf door zijn eenvoud en aangeboren schuchterheid niet wist te verkopen.’ Dopper had zijn karakter tegen, bevestigt Joop Stam. ‘Hij had geen ellebogen, was doodeerlijk en gaf zelfs zijn meisje prijs.’

Sophie Zimmerman, de liefde van zijn leven. Haar ouders, Groningse middenstand, wilden er niks van weten. Jaren later verscheen ze op Zorgvlied aan Doppers graf. Een dochter hoorde haar zuchten: ‘Kees, wat hebben we het samen zwaar gehad.’

In het Veenkoloniaal Museum kunnen vingervaardige bezoekers op een kleine vleugel de Henriëttewals spelen. De verliefde componist schreef hem voor de vrouw die hij in 1909 huwde, Henriëtte Siedenburg. In 1920 gaan ze uit elkaar. Mevrouw Dopper, operazangeres, wil haar geluk in Amerika beproeven. Meneer Dopper, heimweegevoelig en trouw aan Mengelberg, weigert te emigreren. In de nasleep van de heftig opspelende Sousa-affaire zit Dopper toch al niet lekker in z’n vel. ‘Zijn reputatie raakte beschadigd’ zegt Stam. ‘Dopper werd gedegradeerd en greep soms naar de fles. Alleen bij biljartclub De Duiventil kon hij zichzelf zijn, daar hoefde hij geen rol te spelen.’

Er waren andere vrouwen, zoals het meisje bij wie de musicus in zijn jeugdjaren een kind had verwekt. Een jongeman kan domme dingen doen, zou hij later zeggen. En er was de huishoudster met wie hij kort voor zijn dood trouwde, zodat ze kon beschikken over zijn pensioen.

Geen souplesse in de polsen, de neus verstopt in de partituur: de muziekpers beschreef dirigent Dopper als een houten Klaas. Joop Stam nuanceert: ‘Ik geef het je te doen om in 1923, als eerste Nederlander, Stravinsky’s schandaalstuk Le sacre du printemps in te studeren.’

En in Dopper de componist zag men geen vernieuwer. Het is een van de redenen waarom hij in het vergeetboek is geraakt, denkt Stam. ‘Maar onbekendheid met zijn muziek speelt ook een rol. Er is bar weinig uitgegeven.’ In die lacune probeert de Stichting Cornelis Dopper te voorzien. Na een oeuvrecatalogus en de biografie richten Stam en zijn bestuur zich nu op de noten. De eerste bekroningen voor die arbeid zijn binnen: een ridderorde voor Joop Stam, de Visser Neerlandia Prijs voor de Stichting.

Stam: ‘Ik ga niet zo ver als de Duitse journalist die Dopper na het beluisteren van een cd met symfonieën bombardeerde tot Nederlands beste componist na Sweelinck. Maar toch: zijn kwaliteiten worden onderschat. Ik vind hem bijvoorbeeld een geniaal instrumentator.’ Stam heeft ze noot voor noot door zijn handen laten gaan: Doppers Requiem, een aantal liederen, een sextet, een vioolsonate, een strijkkwartet. ‘Fantastisch geschreven’, ‘lekker om te doen’ – zulke reacties krijgt hij van de musici, deels uit het Concertgebouworkest, die de stukken in het Dopper Festival komen spelen. Voor Joop Stam is Cornelis Dopper een vakman met uitschieters naar boven. ‘In het Requiem hoor je prachtige, schurende harmonieën. En neem zijn Klankstudie voor blaaskwintet en piano uit 1915. Daarin speelt Dopper met boventoonreeksen en minimal-music achtige herhaling.’

Dat de Stadskanaalse biograaf inmiddels wordt vereenzelvigd met de Stadskanaalse componist, bleek toen Max van den Berg, de Groningse commissaris der koningin, zich afmeldde voor het festival. In de brievenbus van Joop Stam viel een kaartje voor de heer Dopper.

de Volkskrant, 18 september 2009

8 september 2009

Wie krijgt Valeri Gergjev scherp?


foto: Nino P.

Een feestende fagottist, een sneue Fidelio en een afkalvende bezoekersstroom: het slotweekend van het veertiende Gergjev Festival zal de hogere echelons van het Rotterdams Philharmonisch Orkest niet onverdeeld gelukkig hebben gestemd.

Het feestvarken heette Bram van Sambeek. In de ogen van zijn vroegere chef Valeri Gergjev is deze solofagottist 'een tikkeltje excentriek'. Gergjevs opvolger Yannick Nézet-Séguin hoort in hem een poëet. Cultuurminister Ronald Plasterk, die aan Van Sambeek (1980) de Nederlandse Muziekprijs kwam overhandigen, prees zijn techniek, beheersing en toonkleur. In Sofia Goebajdoelina’s Fagotconcert liet de blazer horen dat zijn uitzonderlijke klasse op het instrument mede schuilt in hoog zingen met honingzoet timbre.

De familie en gezagsdragers die Van Sambeek naar het Nieuwe Luxor Theater had getrokken, konden niet voorkomen dat het Gergjev Festival minder bezoekers trok dan voorheen (17.500, tegen 20.000 in 2008 en 24.000 in 2007). De vrijage met het Veerhavenconcert, die 5.000 openluchtliefhebbers heeft opgeleverd, vormt een eenmalige troost.

Natuurlijk, Valeri Gergjev dwaalde weer eens langs de Maasoevers. Tot en met 2012 heeft de wereldster zich aan het Rotterdamse festival verplicht. Toch zou het niet verbazen wanneer de verse orkestdirecteur Hans Waege is bekropen door een prangend gevoel. Hoe houdt hij het festival en z’n naamgever scherp?

Eerste zorg: Gergjevs zichtbaarheid, die zich dit jaar beperkte tot de weekeinden. De tussenliggende dagen, hoe inventief geprogrammeerd ook, missen een aanjager. Tweede kwestie: het festivalthema. ‘Eeuwige jeugd’ mag passen bij het Rotterdamse Jongerenjaar 2009, boven een muziekprogrammering is het een vaantje dat naar alle kanten wappert.

Ander gevoelig punt: de dirigent die kan bogen op opera-ervaring van Sint-Petersburg tot New York, had voor Rotterdam de eerste Fidelio van zijn leven gereserveerd. Helaas kreeg dat Beethovenavontuur vrijdagavond in het Nieuwe Luxor de trekken van een blamage.

Zwakste stee waren de zangers, met tenor John McMaster voorop. Als Florestan mag hij twee jaar in de spelonken van een Sevillaans cachot hebben gecrepeerd, op een Rotterdams podium geldt voor stembandbeheersing een ondergrens. Gergjev, op zijn beurt, hield de vocale ensemblestukken matig in het gareel.

De regie van Neil Wallace bood evenmin uitkomst. Het concept lag er: klein speelvlak, hip beeldscherm, spelen met de conventies. Maar voeg tien dagen repetitietijd bij Wallace’s beperkte regie-ervaring en je krijgt ronddolende zangers. Een dag later perste Yannick Nézet-Séguin er in de probleemakoestiek van het Nieuwe Luxor tenminste nog een aanvaardbare Lyrische Symphonie van Zemlinsky uit, zeker op de genereuze momenten dat sopraan Twyla Robinson het overnam van bariton Toman Trekel.

De editie-2010 van het Gergjev Festival draait rond het thema Resurrection – A Story of Rotterdam. Zeventig jaar na het oorlogsbombardement komen Mahler, Sjostakovitsj en Britten helpen bij het verlies.

de Volkskrant, 7 september 2009

1 september 2009

Gergjev Festival: wapperende vlaggen, deinende masten


Tegen halfnegen haalt de eerste bezoeker uit veertien jaar Gergjev Festival een nat pak. Iemand slaat overboord in de Veerhaven, bij de Erasmusbrug om de hoek. Over het waarom van de duikelpartij blijft het speculeren. Mogelijk slaat zaterdagavond de ontreddering toe tijdens de ‘Aria van de Zwaan’ uit Rimski-Korsakovs opera Tsaar Saltan, breekbaar gezongen door sopraan Helena Gaskarova. Wellicht geeft een ruimhartige omgang met plastic glaasjes champagne en rosé de doorslag.

En wie weet is het gewoon de Rotterdamse wind. De vlaggen wapperen en de masten dansen tijdens het zevende Veerhavenconcert. Voor één keer vormt dit evenement de opening van het Gergjev Festival, dat op de schopstoel zit nu de grote concertzaal van de Doelen wordt gerenoveerd.

Drie kwartier voordat Valeri Gergjev zijn oude orkestmakkers weer in de ogen kijkt, zijn op de kade de tribunestoelen al vergeven. Slimmeriken hebben een keukentrapje meegebracht, wie lenig is klautert op een bouwcontainer. De VIP-ponton vooraan bezwijkt niet onder zwaargewichten als Ruud Lubbers, Ivo Opstelten en Shellman Van der Veer. Voor de jarige burgemeester Ahmed Aboutaleb heeft het Rotterdams Philharmonisch Orkest Lang zal hij leven ingestudeerd. Geen hooligan komt het buitenevenement versjteren. Hooguit kreunt een tram door de bocht van het Westplein, of passeert er een auto met discodreun.

‘Eeuwige jeugd’ luidt het festivalthema. Negen dagen lang ligt het accent op jeugdwerken en jonge musici. Gergjev zelf komt alleen in de weekenden. Vrijdag dirigeert hij voor het eerst van z’n leven Fidelio, Beethovens opera die als ‘eeuwig fris meesterwerk’ aan de thematiek is opgehangen.

In de Veerhaven trekt de bries intussen aan. De hostesses die programma’s uitdelen en geld inzamelen voor War Child, staan te bibberen in hun zomertenue. Warm klinkt wel de stem van presentatrice Karen Verstraete, die zich met Philip Freriksachtige charme door de avond heen werkt. De achternaam van componist Pablo de Sarasate rijmt plots op saté. En tot op de Kop van Zuid draagt het gebulder dat Verstraete oogst met de vraag of iedereen bij de collecterende meisjes iets in de doosjes heeft gestopt.

Daar stapt Gergjev de steiger op, met in zijn kielzog drie jonge Russen van het Petersburgse Mariinski Theater. Ze zingen opera-aria’s van Rimski-Korsakov en Tsjaikovski. Het Rotterdams Philharmonisch strooit er populaire klassiekers doorheen, zoals de Sabeldans en De vlucht van de hommel. Met het melancholieke ‘Waarheen zijt gij ontvloden’ uit Tsjaikovski’s Jevgeni Onjegin wekt de tenor Sergej Skorochodov ieders kippenvel op.

Wanneer het halftien is en tijd voor een toegift, klinkt ‘Libiamo’, het drinklied uit Verdi’s Traviata. Het botenvolk zwaait met vuurwerksterretjes en op de tribunes deint men na een pittig avondje Rusland maar al te graag mee.

de Volkskrant, 31 augustus 2009