Georg Gebel was een wonderkind en workaholic. Toch is het oeuvre
van de barokcomponist verzwolgen door de tijd. In 2007 schoten de ZaterdagMatinee en de
Nederlandse Bachvereniging te hulp. Gebels Johannes
Passion bleek ‘geconcentreerd, pakkend en flitsend’.
‘Welke componist schreef deze muziek?’, vroeg enkele jaren
terug de presentator van het Radio 4-programma Diskotabel. Hij liet iets horen wat
duidelijk barokmuziek was. Uitgesproken expressief zelfs, met hier en daar een progressief
snuifje Sturm und Drang. Maar
de deskundigen van het luisterpanel tastten in het duister. Een gok: Carl Philipp
Emanuel misschien, getalenteerde zoon van Bach?
Mis, die was het niet. Noch Telemann, Händel,
of de oude Johann Sebastian zelf. Al kwam het fragment wel uit een Johannes Passion. De componist? Georg
Gebel. Georg wíé?
‘Zelfs van zijn naam had ik nooit gehoord’, zegt Kees Vlaardingerbroek,
destijds panellid en tegenwoordig het artistieke brein achter de
ZaterdagMatinee. In het gedraaide
fragment hoorde Vlaardingerbroek echter ‘verrassende kwaliteit’. Hij schafte de
cd aan, luisterde drie, vier keer - en Georg Gebel bleef overeind. Sterker nog:
diens Johannes Passion ging
steeds meer boeien.
Vlaardingerbroek telefoneerde enthousiast met Jos van
Veldhoven. Jaja, dacht de artistiek leider van De Nederlandse Bachvereniging, zeker
weer zo’n 18de-eeuwse Kleinmeistervan dertien in een dozijn. Maar na het keuren van harmonische structuren en
orkestpartijen, de aria’s en het contrapunt belde Van Veldhoven subiet terug. ‘Ja,
dit is hem!’ En zo geschiedde dat de Johannes Passion van Georg Gebel
der Jüngere voor het eerst in Nederland viel te horen live verslagen door Radio
4.
Mede met dank aan Georg Gebel de oude. De organist uit
Breslau – het huidige Poolse Wroclaw – preste zijn zoon al vroeg tot muzikale
daadkracht. Op z’n derde zat de kleine Gebel achter het klavecimbel en drie
jaar later vermaakte hij de betere families van Silezië. Het joch was twaalf
toen hij meemoest op orgelinspectie naar Oels (nu Olesznica), waar hij meteen op
kon draven voor het hertogelijk paar. En omdat er aan zijn handjes niets
mankeerde, mocht hij pa steeds vaker helpen bij het componeren.
Toen Bach in 1724 in Leipzig voor het eerst zijn eigen Johannes Passion uitvoerde, was
Georg Gebel (1709-1753) een puber van nog geen vijftien. Het is niet
ondenkbaar, zegt Jos van Veldhoven, dat hij Leipzig toen, of later, heeft
bezocht. Vast staat wel dat Georg Gebel voor de recitatieven en koren van zijn
passie dezelfde uitsnede uit het Johannesevangelie heeft gekozen. Aan de lopende
band hoor je bekende frases (‘Da ging Pilatus wieder heraus und sprach zu ihnen…’).
Qua spreekzang hanteert Gebel een soberder pen dan Bach. Maar
de aria’s kunnen hem niet feestelijk genoeg zijn. ‘Prachtige melodieën’ vindt
Vlaardingerbroek. ‘Met de instrumentatie doet hij bijzondere dingen’, zegt Van
Veldhoven. Zoals het mengen van een peinzende fagot met solistisch
tokkelende theorbe en een kale, geplukte basviool. Naaktheid troef immers,
nadat de Kriegsknechte om Jezus’
mantel hebben gedobbeld.
Zoals Georg Gebel schilderde met klank, moet hij ook hebben
gecomponeerd met verf. Hij was een dubbeltalent, al is zijn beeldende werk gulzig
verzwolgen door de tijd. Troebel ook is het zicht op zijn muzikale productie. De
Sileziër zou twee dubbele jaargangen kerkcantates hebben geschreven, minstens
twaalf opera’s, en meer dan honderd solostukken voor klavecimbel, viool, luit,
viola da gamba en traverso.
In 1735 raakt hij verzeild in Warschau. Met graaf Heinrich
von Brühl trekt hij later naar Dresden en duikt in 1746 op als kapelmeester aan
het Thüringse hof van Rudolstadt. Daar haalt de workaholic nachten door om te
componeren. In het voorjaar van 1753 slaat de malo hypochondrico toe, een depressie of neurose waartegen een
kuurreis niets vermag. Georg Gebel overlijdt in september, 44 jaar oud.
Der leidende,
sterbende und begrabene Jesus luidt de ondertitel van zijn Johannespassie.
Het stuk klinkt in 1748 in Rudolstadt, opgeknipt in zes Betrachtungen of overpeinzingen, die
over evenzoveel dagen in de Goede Week zijn uitgesmeerd. In het tekstboekje bij
de enige cd-opname vermoedt Gebelvorser Manfred Fechner echter dat de Johannes Passion al jaren
tevoren in Dresden integraal is uitgevoerd op één Goede Vrijdag.
‘Komm – kómm – kóhomm!’ laat Georg Gebel het openingskoor
smeken, alsof hij kennis heeft van het Bachmotet Komm, Jesu, komm. ‘Ja, ja’, rijmt de tenor even later, ‘ich wil
mich auch bequemen, den Kelch von Gottes Hand zu nehmen’ - waarin de doorgewinterde
liefhebber weer andere Bach-echo’s zal herkennen.
Vlaardingerbroek: ‘Tegelijkertijd is Gebel zó anders.’
Van Veldhoven: ‘Ad rem, een beetje opera-achtig.’
Vlaardingerbroek: ‘Geconcentreerd, pakkend en flitsend.’
Van Veldhoven: ‘Als het publiek naar Bach gaat verlangen,
is er iets mis.’
de Volkskrant, oktober 2007
Cultura volgt het spoor van Georg Gebel