16 april 2012

Matthias Goernes romantische Schwanengesang


Het is alsof de gelauwerde bariton Matthias Goerne twee verhaallijnen samenknoopt in Schwanengesang,  de losse liedverzameling waaraan Franz Schubert in de laatste maanden van zijn korte leven zat te werken. De ene lijn is die van een imaginaire hemelvaart, gesymboliseerd door een gestage stijging van baritonale naar tenorale timbres.

De andere lijn, markanter, toont Schubert in 1828 als wegbereider voor revolutionairen als Wagner en Berlioz. Zo loopt de vehemente vertelkracht van 'Der Doppelgänger' vooruit op Wotan en andere Wagnerhelden. Of luister naar 'Die Stadt', een kleinood dat Christoph Eschenbach inleidt met het zachte toetsengeroffel van een oosters toongedicht.
 
Op deel zes van zijn op elf cd's begrote Schubertcyclus drukt Matthias Goerne kortom een ferm romantisch stempel. Dat mag niet ieders smaak zijn, smoel heeft zijn werkwijze wel. Op een bonus-cd kijkt Eschenbach in de peilloze diepten van Schuberts 'andere zwanenzang', de pianosonate D960.

Schubert: Schwanengesang, Pianosonate D960. Matthias Goerne (bariton), Christoph Eschenbach (piano). Harmonia Mundi.

de Volkskrant, 18 april 2012

Harnoncourt walst jong en fruitig


De tijd lijkt rijp voor een rehabilitatie van de wals. Ter voorbereiding van het Nieuwjaarsconcert door de Wiener Philharmoniker dook Mariss Jansons al eens diep in de archieven. Nog radicaler pakt Nikolaus Harnoncourt de herstelwerkzaamheden aan. Om dansmuziek van Mozart, Lanner en Johann Strauss senior op authentieke leest te kunnen schoeien, liet hij liefst tien exotische trompetten en vijf verdwenen klarinetten aanrukken.

Met zijn eigen club, Concentus Musicus Wien, onderzocht Harnoncourt Mozarts dansmuziek als bron van de Weense wals. Het zijn nogal doordeweekse stukken op een verder verrassende dubbel-cd. 

Vooral Joseph Lanner gedijt bij de opknapbeurt. Hij ontpopt zich in Sehnsuchts-Mazur als een Rossiniaanse charmeur. Ook in de Malapou-Galopp springen de gecraqueleerde schminklagen eraf. Harnoncourt laat horen dat zelfs zwaar gedecolleteerde dansmuziek ooit jong en fruitig was.

Mozart, Strauss, Lanner. Concentus Musicus Wien o.l.v. Nikolaus Harnoncourt. Sony.

de Volkskrant, 16 april 2012

Verdriet en pronkzucht in de tombeau


Het komt niet vaak meer voor dat een componist een betreurde dode gedenkt in een muzikale grafrede. In de Franse Barok wisten ze met het postume eerbetoon nog wel raad. Het was zelfs een apart genre, dat luisterde naar de naam tombeau

Mieneke van der Velden speelt zulke 'graftombes' op een riant zoemende viola da gamba uit 1617. Zangerig en niet zagerig – in de beroepsgroep der gambisten hebben we het weleens anders gehoord. De vervoerendste tombeau is die voor Monsieur de Sainte-Colombe, geschreven door zijn leerling Marin Marais. Deze gambatovenaar staat sinds de film Tous les matins du monde op het netvlies gebrand in de gedaante van acteur Gérard Depardieu.
Kernwoorden van de tombeau: verdriet en toch ook pronkzucht. Van der Velden toont beide kanten in een geïnspireerd discours met de klavecinist Glen Wilson. 

Hommages. Mieneke van der Velden (viola da gamba), Glen Wilson (klavecimbel). Ramée.

de Volkskrant, 18 april 2012





 

De dirigent is ook een mens

Ed Spanjaard (foto: F. Widdershoven)
Fouten maken mag, luidt een mantra in de therapeutische hulpverlening. Makkelijk gezegd. Probeer die ontspannen houding maar eens te slijten aan de klassieke musicus die optreedt in de Grote Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw, met tienduizenden oren extra die rechtstreeks meeluisteren via Radio 4.

Ed Spanjaard zal er dan ook stevig de pee in hebben. De dirigent versloeg zich en moest Franz Schrekers zelden gehoorde Vorspiel zu einer grossen Oper aftikken. Het Radio Filharmonisch Orkest zette een maat of wat eerder opnieuw in, wat als voordeel had dat een oriëntaalse saxofoonsolo z'n kieteling twee keer mocht voltrekken.

Tot troost van Spanjaard: op hetzelfde podium, bij het Concertgebouworkest, raakte de grote Kurt Masur in 2003 de kluts kwijt bij een herhaling in Bruckners Vierde symfonie. En Ken-Ichiro Kobayashi maakte het twintig jaar tevoren bij het Amsterdams Philharmonisch Orkest helemaal bont. Nadat de Japanner zich in Stravinsky’s Petroesjka had verteld, simuleerde hij een acute hartstoornis.

Dat Ed Spanjaard zijn metier beheerst, zal Peter-Jan Wagemans onmiddellijk beamen. De componist kreeg een glanzende eerste uitvoering voorgeschoteld van zijn orkestwerk Deep Blue Ocean, geschreven in opdracht van de ZaterdagMatinee.

Zo'n titel nodigt uit tot associatief luisteren. Een stijgend chromatisch motief doet dan al gauw denken aan de luchtbelletjes die warrelen rond het hoofd van een diepzeeduiker. En frappant was de samengebalde energie die aan de oppervlakte kwam met een orkestraal 'blub'.

Aan brille ontbreekt het Deep Blue Ocean niet. Wagemans strooit met melodische confetti en blaast de ritmes vol leven. De heldere ideeën zijn goed geïnstrumenteerd. Minder zwier legt hij aan de dag in de harmonische voortgang. En hoe lang wil hij nog wuiven naar Stravinsky?

Ook Jorge Luis Prats wuift graag. Naar het publiek of boven de toetsen, de Cubaanse pianist houdt van allebei. Niet altijd tot wederzijds genoegen: wapperende handen ontsierden laatst zijn recital in de serie Meesterpianisten. 

In het Tweede pianoconcert van Brahms toonde hij zich opnieuw grijpgraag. Ed Spanjaard, die bij het Concertgebouworkest ooit een slanke Tweede symfonie afleverde, sneed Brahms volledig toe op Prats' vlezige geluid. Resultaat: muziek die bij vlagen rood aanliep.
 
Gelukkig was de toegift heilzaam. Wagner, Tristan und Isolde, de liefdesdood in de pianobewerking van Franz Liszt. Geleund op de vleugel liet Ed Spanjaard zijn kwetsuur zalven door de geïnspireerde vingers van dokter Prats.

Wagemans, Schreker, Brahms. Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Ed Spanjaard, m.m.v. Jorge Luis Prats (piano). Amsterdam, Concertgebouw, 14/4.

de Volkskrant, 16 april 2012

5 april 2012

Christoph Graupner, verdwenen genie

Christoph Graupner componeerde 1400 cantates, 113 symfonieën, 85 suites, acht opera’s, 66 sonates, 44 concerten, 40 klavierpartita’s en ruim 5600 canons. Nadat Georg Philipp Telemann in 1723 beleefd had bedankt, had Graupner in Leipzig maar hoeven knikken en dan was híj Thomascantor geworden, ten koste van de derde keus: Johann Sebastian Bach.
 
Graupner had er het talent voor. Bij zijn paascantates vraag je je doorlopend af hoe iemand zo in vergetelheid heeft kunnen raken. In met strijkers doorvlamde koralen legt hij volop retorisch vernuft. Gelukkig kent Graupner ijveraars zoals dirigent Hans Michael Beuerle, die zijn stok zwaait over een groep timide maar eerlijke muzikanten. 

Graupner: passiecantates. Ensemble Concerto Grosso, Anton-Webern-Chor Freiburg o.l.v. Hans Michael Beuerle. Carus.

de Volkskrant, 4 april 2012

Een paar luistervoorbeelden vind je HIER 

4 april 2012

Sellars en Rattle ritualiseren de Matthäus

Magdalena Kozená wervelt oriëntaals (foto Andreas Knapp)
Dat Judas zijn leidsman Jezus zou hebben verraden met een kus vol op de mond, is een homo-erotische variant op het lijdensverhaal waarover de Bachwetenschap volhardend zwijgt. Judas als valse nicht: in de vloed van Mattheüs- en Johannespassies die het land overspoelt, mogen we het er zelf bij denken.

De heiligschennende visie viel twee jaar geleden wel degelijk te beleven in Salzburg en Berlijn. Daar hadden ze dan ook Peter Sellars op bezoek, de Amerikaanse dwarsdenker en regisseur die was gevraagd om Bachs Matthäus-Passion te voorzien van pakkend beeld.

Voor dirigent Simon Rattle en zijn Berliner Philharmoniker bedacht Sellars geen enscenering, maar een 'ritualisering', vanuit de niet eens zo goddeloze gedachte dat we bij de Matthäus eerder te maken hebben met meditatie en gebed, dan met spektakel en theater. Bladerend in vele eeuwen passiekunst, zo blijkt uit de net verschenen dvd-opname, werd Sellars vooral getroffen door de iconografie van bidden, smeken, pleiten en treuren.

Maar het blijft niet bij tableaux vivants. Tientallen koorzangers stuiven van het podium naar de balkons van de Berlijnse Philharmonie, om het publiek van alle kanten te marineren in het koraal 'O Mensch, bewein dein Sünden gross'. En als mezzosopraan Magdalena Kozená blootsvoets Golgotha betreedt, schemert er in haar wervelingen iets van oriëntaalse dans.

Mark Padmore in zijn dubbelrol (foto Andreas Knapp)
Toegegeven, het kost een kwartier voor je gewend bent geraakt aan Sellars' oncalvinistische paastheater. Geknakte koorkopjes en stoffige schoenzolen zullen in de zaal ook minder hebben afgeleid dan op dvd. Neemt niet weg dat Sellars voor Mark Padmore een interessante dubbelrol heeft geschapen: de tenor zingt niet alleen voortreffelijk de partij van Evangelist, maar maakt als acteur bovendien Jezus' lijden aanschouwelijk. Op zijn pad treft hij bevlogen solisten als Thomas Quasthoff, Christian Gerhaher (Christus) en Camilla Tilling (hoogzwanger).
 
Intussen blijkt Simon Rattle een goed gearticuleerd, licht romantiserend Bachdialect te hebben gevonden in het weidse grensgebied tussen authentiek en ouderwets. 

Bach: Matthäus-Passion. Solisten, Berliner Philharmoniker o.l.v. Simon Rattle. Regie: Peter Sellars. Berliner Philharmoniker (2 dvd's, bestellen via www.berliner-philharmoniker.de/shop).

de Volkskrant, 4 april 2012 

2 april 2012

Gebels passie: schilderen met klank


Georg Gebel was een wonderkind en workaholic. Toch is het oeuvre van de barokcomponist verzwolgen door de tijd. In 2007 schoten de ZaterdagMatinee en de Nederlandse Bachvereniging te hulp. Gebels Johannes Passion bleek ‘geconcentreerd, pakkend en flitsend’.

‘Welke componist schreef deze muziek?’, vroeg enkele jaren terug de presentator van het Radio 4-programma Diskotabel. Hij liet iets horen wat duidelijk barokmuziek was. Uitgesproken expressief zelfs, met hier en daar een progressief snuifje Sturm und Drang. Maar de deskundigen van het luisterpanel tastten in het duister. Een gok: Carl Philipp Emanuel misschien, getalenteerde zoon van Bach?

Mis, die was het niet. Noch Telemann, Händel, of de oude Johann Sebastian zelf. Al kwam het fragment wel uit een Johannes Passion. De componist? Georg Gebel. Georg wíé?

‘Zelfs van zijn naam had ik nooit gehoord’, zegt Kees Vlaardingerbroek, destijds panellid en tegenwoordig het artistieke brein achter de ZaterdagMatinee. In het gedraaide fragment hoorde Vlaardingerbroek echter ‘verrassende kwaliteit’. Hij schafte de cd aan, luisterde drie, vier keer - en Georg Gebel bleef overeind. Sterker nog: diens Johannes Passion ging steeds meer boeien.

Vlaardingerbroek telefoneerde enthousiast met Jos van Veldhoven. Jaja, dacht de artistiek leider van De Nederlandse Bachvereniging, zeker weer zo’n 18de-eeuwse Kleinmeistervan dertien in een dozijn. Maar na het keuren van harmonische structuren en orkestpartijen, de aria’s en het contrapunt belde Van Veldhoven subiet terug. ‘Ja, dit is hem!’ En zo geschiedde dat de Johannes Passion van Georg Gebel der Jüngere voor het eerst in Nederland viel te horen live verslagen door Radio 4.

Mede met dank aan Georg Gebel de oude. De organist uit Breslau – het huidige Poolse Wroclaw – preste zijn zoon al vroeg tot muzikale daadkracht. Op z’n derde zat de kleine Gebel achter het klavecimbel en drie jaar later vermaakte hij de betere families van Silezië. Het joch was twaalf toen hij meemoest op orgelinspectie naar Oels (nu Olesznica), waar hij meteen op kon draven voor het hertogelijk paar. En omdat er aan zijn handjes niets mankeerde, mocht hij pa steeds vaker helpen bij het componeren.

Toen Bach in 1724 in Leipzig voor het eerst zijn eigen Johannes Passion uitvoerde, was Georg Gebel (1709-1753) een puber van nog geen vijftien. Het is niet ondenkbaar, zegt Jos van Veldhoven, dat hij Leipzig toen, of later, heeft bezocht. Vast staat wel dat Georg Gebel voor de recitatieven en koren van zijn passie dezelfde uitsnede uit het Johannesevangelie heeft gekozen. Aan de lopende band hoor je bekende frases (‘Da ging Pilatus wieder heraus und sprach zu ihnen…’).

Qua spreekzang hanteert Gebel een soberder pen dan Bach. Maar de aria’s kunnen hem niet feestelijk genoeg zijn. ‘Prachtige melodieën’ vindt Vlaardingerbroek. ‘Met de instrumentatie doet hij bijzondere dingen’, zegt Van Veldhoven. Zoals het mengen van een peinzende fagot met solistisch tokkelende theorbe en een kale, geplukte basviool. Naaktheid troef immers, nadat de Kriegsknechte om Jezus’ mantel hebben gedobbeld.

Zoals Georg Gebel schilderde met klank, moet hij ook hebben gecomponeerd met verf. Hij was een dubbeltalent, al is zijn beeldende werk gulzig verzwolgen door de tijd. Troebel ook is het zicht op zijn muzikale productie. De Sileziër zou twee dubbele jaargangen kerkcantates hebben geschreven, minstens twaalf opera’s, en meer dan honderd solostukken voor klavecimbel, viool, luit, viola da gamba en traverso.

In 1735 raakt hij verzeild in Warschau. Met graaf Heinrich von Brühl trekt hij later naar Dresden en duikt in 1746 op als kapelmeester aan het Thüringse hof van Rudolstadt. Daar haalt de workaholic nachten door om te componeren. In het voorjaar van 1753 slaat de malo hypochondrico toe, een depressie of neurose waartegen een kuurreis niets vermag. Georg Gebel overlijdt in september, 44 jaar oud.

Der leidende, sterbende und begrabene Jesus luidt de ondertitel van zijn Johannespassie. Het stuk klinkt in 1748 in Rudolstadt, opgeknipt in zes Betrachtungen of overpeinzingen, die over evenzoveel dagen in de Goede Week zijn uitgesmeerd. In het tekstboekje bij de enige cd-opname vermoedt Gebelvorser Manfred Fechner echter dat de Johannes Passion al jaren tevoren in Dresden integraal is uitgevoerd op één Goede Vrijdag.

‘Komm – kómm – kóhomm!’ laat Georg Gebel het openingskoor smeken, alsof hij kennis heeft van het Bachmotet Komm, Jesu, komm. ‘Ja, ja’, rijmt de tenor even later, ‘ich wil mich auch bequemen, den Kelch von Gottes Hand zu nehmen’ - waarin de doorgewinterde liefhebber weer andere Bach-echo’s zal herkennen.

Vlaardingerbroek: ‘Tegelijkertijd is Gebel zó anders.’

Van Veldhoven: ‘Ad rem, een beetje opera-achtig.’

Vlaardingerbroek: ‘Geconcentreerd, pakkend en flitsend.’

Van Veldhoven: ‘Als het publiek naar Bach gaat verlangen, is er iets mis.’
de Volkskrant, oktober 2007

Cultura volgt het spoor van Georg Gebel